Late lichtecho brengt alsnog nieuws over sterontploffing18 februari 2012 de Volkskrant |
|
![]() |
Bijna 170 jaar na dato hebben sterrenkundigen alsnog precisiemetingen verricht aan een kolossale, langdurige uitbarsting van een van de zwaarste dubbelsterren in het Melkwegstelsel. Daarbij is onder andere ontdekt dat het weggeblazen sterrengas veel koeler was dan werd aangenomen.
Sterrenkundigen zijn eraan gewend om terug te kijken in de tijd. De ster waar het hier om gaat, Èta Carinae, staat op een kleine achtduizend lichtjaar van de aarde. De uitbarsting vond dan ook eigenlijk rond het jaar 6000 v.C. plaats – het licht had er bijna achtduizend jaar voor nodig om de aarde te bereiken, en kwam hier pas halverwege de negentiende eeuw aan.
Als gevolg van die ‘Great Eruption’ was Èta Carinae tussen 1837 en 1858 de op een na helderste ster aan de hemel. Maar indertijd beschikten astronomen nog niet over gevoelige camera’s en spectroscopen om het verschijnsel in detail te bestuderen. Bovendien is de ster alleen vanaf het zuidelijk halfrond zichtbaar. Alles wat er over de uitbarsting bekend is, is dan ook gebaseerd op ooggetuigenverslagen.
Een team van sterrenkundigen onder leiding van Armin Rest van het Space Telescope Science Institute in Baltimore heeft daar nu echter verandering in gebracht. Rest en zijn collega’s hebben de uitbarsting met moderne instrumenten bestudeerd, ook al is het tumult rond Èta Carinae al ruim anderhalve eeuw geleden verstomd. De resultaten zijn deze week gepubliceerd in Nature.
Het toverwoord: lichtecho’s. Licht van de uitbarsting dat in een iets andere richting werd uitgezonden, is weerkaatst door stofwolken in het heelal, en komt op die manier alsnog op de aarde aan, met een vertraging van ongeveer 170 jaar. Het effect is vergelijkbaar met het narommelen van een donderklap in de bergen: je hoort dan geluid dat door de bergwanden is weerkaatst en dat er wat langer over doet om aan te komen.
Met de Hubble Space Telescope en met een batterij telescopen op aarde zijn de lichtecho’s van Èta Carinae nauwkeurig onderzocht. Bij de ‘Great Eruption’ moet ongeveer twintig zonsmassa’s aan gas de ruimte in zijn geblazen (de resulterende uitdijende nevel is op Hubble-foto’s goed zichtbaar), maar uit de metingen blijkt dat dat gas veel koeler was dan verwacht: ongeveer 4700 graden Celsius.
Door het helderheidsverloop van de lichtecho’s te vergelijken met de ooggetuigenverslagen van halverwege de negentiende eeuw, is precies bekend met hoeveel vertraging het licht op aarde aankomt. Volgens Rest zal er over zes maanden een nieuwe helderheidstoename plaatsvinden, overeenkomend met een opflakkering die in 1844 werd gezien.
© Govert Schilling