Hier groeien tulpen en astronomen24 januari 2009 de Volkskrant |
|
![]() |
Nederland is al eeuwen koploper in de astronomie. Vraag in het Jaar van de Sterrenkunde: is het de volksaard, of traditie? ‘Nederland? O, dat is dat land waar ze tulpen en astronomen kweken voor de export!’ Het citaat is van de Amerikaanse sterrenkundige Harlow Shapley (1885-1972). Die kwam op sterrenwachten in de Verenigde Staten overal Nederlanders tegen. Aan het kijkeroculair, in de onderzoeksstaf, in de directie. Met onuitspreekbare namen en een zwaar accent. Maar ook met doorzettingsvermogen en visie. Sinds Shapley’s tijd is er weinig veranderd, volgens de Groningse hoogleraar astronomie Peter Barthel. ‘We zitten overal, ik kan er niet omheen.’ Maar is het echt waar? Is de Nederlandse astronomie zo bijzonder? Nemen we echt een bijzondere plaats in? Ed van den Heuvel, emeritus-hoogleraar uit Amsterdam, is er heel stellig over. ‘De Nederlandse sterrenkunde wordt elke paar jaar geëvalueerd door een zware internationale commissie. Keer op keer horen we dat we in de top-vijf zitten. Volgens citatiescores zelfs in de top-drie, na de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. De Bruce Medal van de American Society of de Pacific, een van de grootste onderscheidingen in de sterrenkunde, is sinds 1898 één op de zes keer naar een Nederlander gegaan.’ Dit jaar is het vierhonderd jaar geleden dat de Italiaan Galileo Galilei als eerste een telescoopje op de sterrenhemel richtte. Vandaar dat 2009 door de Verenigde Naties is uitgeroepen tot het Internationaal Jaar van de Sterrenkunde. Maar die ‘buijse om verre te sien’ was enige tijd eerder al uitgevonden door Hans Lipperhey in Middelburg. In dezelfde periode waarin Pieter Dirkszoon Keyser en Frederik de Houtman tijdens de ‘Eerste Schipvaart’ de zuidelijke sterrenhemel in kaart brachten. ‘Het is gewoon de Nederlandse cultuur,’ denkt Barthel. ‘We zijn niet bang, we hebben lef. En we willen altijd achter de horizon kijken.’ Borstklopperij? Hoogmoed? Vincent Icke, hoogleraar in Leiden en Amsterdam, wordt een beetje moe van die kwalificaties. ‘Een typisch Nederlandse reactie,’ zegt hij. ‘"Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg." Wij hebben er moeite mee om onszelf goed te vinden.’ Maar we zíjn het wel, aldus Icke. ‘Het is dat Hollandse één-tweetje van iets durven en vervolgens de resultaten binnenhalen. De krachtigste radiotelescoop ter wereld bouwen? Dat moeten we gewoon gaan doen, boem knal. En daarna het gedegen langetermijnwerk om er ook echt mee te scoren.’ Neem Jacobus Kapteyn. In 1878 door de overheid aangesteld als hoogleraar in Groningen, maar zonder geld voor een eigen telescoop. Kapteyn heeft lef: hij biedt aan om de duizenden sterrenfoto’s van het zuidelijk halfrond op te meten die in Kaapstad zijn gemaakt door de Schot David Gill. Kapteyn heeft doorzettingsvermogen: vier jaar lang zit hij vrijwel onafgebroken aan het oculair van een plaatmeetinstrument en meet hij de posities en bewegingen van 454.875 sterren. En Kapteyn scoort: als eerste achterhaalt hij de structuur van ons Melkwegstelsel. Dat zijn conclusies later onjuist bleken te zijn, doet daar niets aan af. Volgens Van den Heuvel was Kapteyn de vader van de ‘Leidse school’. Willem de Sitter en Jan Oort studeerden wiskunde in Groningen, maar werden gegrepen door Kapteyns colleges, en kozen uiteindelijk voor de astronomie. Adriaan Blaauw, Gerard Kuiper, Bart Bok en tal van andere grote Nederlandse astronomen zijn weer door Oort opgeleid. Daarnaast was er de ‘astrofysische school’ met kopstukken als Marcel Minnaert in Utrecht en Anton Pannekoek in Amsterdam. Van den Heuvel: ‘Het begint altijd met goeie, inspirerende mensen. Zo was het trouwens ook in de Nederlandse natuurkunde, die minstens twaalf Nobelprijzen heeft binnengehaald.’ En zo kon het gebeuren dat Nederlandse sterrenkijkers in de loop van de twintigste eeuw over de wereldbol uitzwermden. Gerard Kuiper, die in de Verenigde Staten het moderne planeetonderzoek op poten zette. Bart Bok, die verschillende sterrenwachten runde en baanbrekend onderzoek deed aan het ontstaan van sterren. Peter van de Kamp, pionier in de speurtocht naar exoplaneten. Tom Gehrels met zijn planetoïden. Quasarjager Maarten Schmidt, die de omslag van Time haalde. Deels omdat er in Nederland onvoldoende banen waren. Deels omdat Jan Oort dan weliswaar een groot leermeester was, maar geen gemakkelijke collega. Jan Hendrik Oort wordt algemeen beschouwd als een van de grootste astronomen van de twintigste eeuw. Toen hij in 1992 overleed, schreef de Amerikaanse astrofysicus en Nobelprijswinnaar Subrahmanyan Chandrasekhar: ‘De grote eik van de astronomie is geveld, en wij zijn verloren zonder zijn schaduw’. Oort hield zich bezig met vrijwel elk deelgebied van de sterrenkunde, van kometen tot kosmologie. Hij ontdekte de rotatie van het Melkwegstelsel en bracht de spiraalstructuur ervan in kaart. Hij was de grote pionier van de radioastronomie, initiatiefnemer van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht, en secretaris-generaal en president van de Internationale Astronomische Unie. Dankzij Oorts goede relaties met Den Haag kreeg hij het geld bij elkaar voor de bouw van de grote schotelantennes van Dwingeloo en Westerbork, waarmee Nederland de nummer één werd op het gebied van de radiosterrenkunde. Wel zo handig, gezien het Hollandse klimaat: radiotelescopen hebben geen last van wolken en regen. ‘Nederlandse astronomen zijn altijd goeie netwerkers geweest,’ zegt Peter Barthel uit Groningen. ‘Dat hebben we een paar jaar geleden ook weer gemerkt toen de nieuwe LOFAR-radiotelescoop gefinancierd moest worden.’ LOFAR (Low-Frequency Array) is een revolutionair netwerk van tienduizenden afzonderlijke antennes, verspreid over verschillende landen. Ook de focus op internationale samenwerking is kenmerkend voor de Nederlandse sterrenkunde, aldus Vincent Icke. Logisch natuurlijk: in een klein land als Nederland moet je niet de illusie hebben dat je alles in je eentje kunt doen. ‘Zeker na de bouw van de Westerbork-telescoop was het vooral: samen de schouders eronder.’ Leiden had al een traditie op het gebied van internationale waarnemingsstations, onder andere in Indonesië en Zuid-Afrika, en de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO) is daar in feite een logisch uitvloeisel van. Puur pragmatisme, niet alleen van Oort, maar ook van zijn student Adriaan Blaauw, aldus Icke. ‘Hier lukt het niet; waar wel?’ De ESO-telescopen kwamen uiteindelijk in Noord-Chili terecht. Het heeft de vaderlandse astronomie geen windeieren gelegd. Door de samenwerking met andere Europese landen beschikten Nederlandse sterrenkundigen over de grootste telescopen ter wereld. Icke: ‘Engeland heeft die stap bijvoorbeeld heel lang niet willen zetten. Daar pompten ze veel geld en tijd in sterrenwachten in Sussex, of all places. Dikke, vette telescopen, en het regende maar, en het regende maar.’ Het Verenigd Koninkrijk sloot zich pas in 2002 aan bij de ESO. Een organisatie overigens die volgens Van den Heuvel ‘al vijfentwintig van de tweeënveertig jaar gerund wordt door een Nederlander’; sinds najaar 2007 door de Leidse astronoom Tim de Zeeuw. Overigens wordt ook de internationale Atacama Large Millimeter Array (ALMA), in aanbouw op vijfduizend meter hoogte in de Chileense Andes, geleid door een Nederlander: Thijs de Graauw. ‘We zitten echt overal in,’ zegt Barthel. ‘Niet alleen grote projecten hier op aarde, maar ook ruimteonderzoeksprojecten zoals de Europese infraroodsatelliet Herschel [die half april gelanceerd wordt – GS] en de James Webb Space Telescope, de opvolger van Hubble.’ De traditioneel nauwe samenwerking tussen wetenschappers en technici heeft daar zeker aan bijgedragen, denkt Ed van den Heuvel. ‘Op het gebied van spectroscopie zitten we internationaal gezien echt helemaal vooraan.’ Overigens ziet Van den Heuvel juist de ontwikkelingen in het ruimteonderzoek met enige zorg tegemoet. ‘De projecten worden steeds groter en tijdrovender,’ legt hij uit. ‘Daardoor verdwijnt de continuïteit, en wordt het moeilijker om expertise te behouden.’ Maar, zegt Icke, mede dankzij de Nederlandse inbreng in ALMA zal Nederland de komende jaren zeker in de astronomische top blijven. ‘Het enige wat hier ontbreekt,’ aldus Icke, ‘is een school die niet door personen wordt gemaakt maar door instituten. Buitensporig goeie universiteiten, zoals Cambridge in Engeland of Caltech in de Verenigde Staten, hebben we hier niet.’ De Nederlandse Onderzoekschool Voor Astronomie (NOVA), opgericht in 1991 en zeven jaar later geselecteerd als top-onderzoekschool, bundelt juist de krachten van de verschillende universiteiten, en is een typische exponent van het Nederlandse poldermodel. Niks mis mee, volgens Barthel: ‘Op sterrenkundig gebied opereert Nederland echt als eenheid; dat is juist ons sterke punt. In de natuurkunde zie ik dat bijvoorbeeld niet.’ Mede dankzij het feit dat ongeveer de helft van het NOVA-budget besteed wordt aan de ontwikkeling en bouw van instrumenten, blijft Nederland zo’n belangrijke rol spelen bij grote nieuwe projecten, zowel op de grond als in de ruimte. Behalve het verrichten van toponderzoek behoort ook het aanbieden van toponderwijs, op hoog internationaal niveau, tot de missie van NOVA. Van den Heuvel: ‘Vroeger werd er wel gezegd dat de beste gymnasiumleerlingen theologie of sterrenkunde gingen studeren Top-tien van Nederlandse astronomen
Christiaan Huygens (1629-1695) Bouwde de beste telescopen van zijn tijd, en ontdekte onder andere vlekken op Mars en de ring van Saturnus.
Jacobus Kapteyn (1851-1922) Wordt wel de ‘vader’ van de Nederlandse sterrenkunde genoemd. Grondlegger van de statistische astronomie.
Willem de Sitter (1872-1934) Een van de eerste kosmologen. De Sitter bracht astronomie en theoretische fysica met elkaar in contact.
Marcel Minnaert (1893-1970) Stond samen met Anton Pannekoek aan de basis van de astrofysica
Jan Hendrik Oort (1900-1992) Onbetwist de nummer één van de Nederlandse astronomie. Zag als eerste de grote mogelijkheden van de radiosterrenkunde.
Gerard Kuiper (1905-1973) Een van de grootste planeetonderzoekers ooit. Legde de basis voor het Amerikaanse zonnestelselonderzoek, ook met ruimtesondes.
Adriaan Blaauw (1914–) Ontdekte dat sterren in groepen (‘associaties’) geboren worden, maar was vooral een ‘magistraal organisator en diplomaat’ (Vincent Icke).
Maarten Schmidt (1929–) Groot waarnemer, en ontdekker van quasars – ver verwijderde sterrenstelsels met extreem heldere kernen.
Ed van den Heuvel (1940–) Toonde het belang van dubbelster-evolutie aan in de vorming van compacte objecten (neutronensterren, pulsars en zwarte gaten).
Ewine van Dishoeck (1955–) Expert in experimentele en theoretische astrochemie – de rol van scheikundige processen bij het ontstaan van sterren.
© Govert Schilling
Links: