De freaks van de kosmosjuli 2009 Eos |
|
![]() |
Planeten, sterren en sterrenstelsels – daar is iedereen mee vertrouwd. Maar de kosmos herbergt ook bizarre objecten met extreme eigenschappen. Welkom bij de freakshow van neutronensterren, pulsars en zwarte gaten.
De molens van de kosmos malen langzaam. De trage veroudering van een ster, de geboorte van een planetenstelsel of de botsing van twee sterrenstelsels Maar af en toe wordt die ogenschijnlijke rust ruw verstoord door een plotselinge gebeurtenis, zoals de explosie van een ster, of de transformatie van het ene sterrenkundige object in het andere. Zo kwamen Canadese en Nederlandse radiosterrenkundigen onlangs de geboorte van een millisecondepulsar op het spoor. Anno 1999 was er op de plaats van de pulsar een zwak sterretje zichtbaar, dat kennelijk deel uitmaakte van een dubbelstersysteem. Een jaar later bleek de begeleider van de ster omgeven te worden door een rondwervelende schijf van heet gas, maar die was eind 2002 weer verdwenen. En in 2007 was er een snel rondtollende pulsar ontstaan, die 592 keer per seconde een puls van radiostraling op de aarde afvuurt.
Neutronensterren, pulsars, röntgendubbelsterren en stellaire zwarte gaten Theelepeltje
Sterren die veel zwaarder zijn dan de zon eindigen hun leven echter niet als witte dwerg, maar als neutronenster. Na de terminale supernova-explosie is de resterende sterkern zó zwaar, dat zelfs de degeneratiedruk van opeengepakte atoomkernen en elektronen geen weerstand kan bieden tegen de allesverpletterende zwaartekracht. Het gevolg is dat de negatief geladen elektronen als het ware in de atoomkernen worden geperst. Ze ‘versmelten’ met de positief geladen protonen, met als resultaat dat de ster in feite verandert in één gigantische ‘atoomkern’, die uit stijf opeengepakte neutronen bestaat.
Neturonensterren zijn een paar keer zo zwaar als de zon, maar hun middellijn bedraagt hooguit vijfentwintig kilometer. Ze zijn volmaakt bolvormig, hebben een oppervlak dat harder is dan staal, en een oppervlaktezwaartekracht die honderd miljard maal zo groot is als die van de aarde. Eén theelepeltje neutronenstermaterie weegt evenveel als de Mount Everest.
Het bestaan van neutronensterren werd in 1933 geopperd door Walter Baade en Fritz Zwicky, slechts één jaar na de ontdekking van het neutron door James Chadwick. De vorming van een neutronenster paste goed in hun theorie van supernova-explosies. Veel hoop op het daadwerkelijk waarnemen van neutronensterren was er echter niet: hoewel ze vanwege hun hoge temperatuur zeer energierijke straling uitzenden (voornamelijk op röntgengolflengten), hebben ze maar zo’n klein stralend oppervlak dat ze vanaf grote afstanden nauwelijks te zien zijn. Tientallen jaren lang bleven neutronensterren dan ook theoretische curiosa, waarvan niemand met zekerheid wist of ze écht in de natuur voorkomen.
Little Green Men
Vervolgonderzoek bracht echter al snel aan het licht dat de ‘pulsating star’ (pulsar) een snel roterende neutronenster moest zijn, met een sterk magnetisch veld. Langs de magnetische as (die niet samen hoeft te vallen met de draaiingsas) worden in twee tegenovergestelde richtingen elektrisch geladen deeltjes versneld, waarbij ook radiostraling wordt geproduceerd. Die stralingsbundels zwiepen tijdens de snelle rotatie van de neutronenster door het heelal als de lichtbundels van een vuurtoren. Wanneer de aarde zich in de baan van een van die bundels bevindt, zien we bij elke rotatie een kort pulsje van radiostraling.
De ontdekking van nieuwe pulsars liet niet lang op zich wachten. Inmiddels zijn er een kleine tweeduizend bekend, en er worden met de regelmaat van de klok nieuwe exemplaren gevonden. Dat valt nog niet mee, want van een onbekende pulsar is natuurlijk niet op voorhand bekend wat de rotatiesnelheid is. Bovendien worden de radiopulsjes ‘uitgesmeerd’ door de invloed van ijl gas in de ruimte tussen de sterren, en de mate van versmering is afhankelijk van de golflengte. Om pulsars te vinden moet je dus op een zeer groot aantal smalle golflengtebandjes de hemel afspeuren, en vervolgens met supercomputers alle mogelijke pulsfrequenties controleren. Nederlandse radioastronomen hebben voor dat doel enkele jaren geleden een speciale ‘pulsarmachine’ gebouwd, die jacht maakt op pulsars in de waarnemingen van de Westerbork-radiotelescoop in de provincie Drenthe.
Dat pulsars inderdaad de overblijfselen zijn van supernova-explosies blijkt uit het feit dat ze vaak gevonden worden in zogeheten supernovaresten Priktol
Het opgezogen gas hoopt zich op in een afgeplatte, snel roterende schijf rond de neutronenster Op die manier ontstaan de extreem snel roterende millisecondepulsars, die vele honderden malen per seconde om hun as draaien Merkwaardig genoeg maken niet alle millisecondepulsars deel uit van een dubbelstersysteem. De eerste millisecondepulsar die werd ontdekt (in 1982), blijkt bijvoorbeeld alleen door het leven te gaan. Toch draait hij 642 keer per seconde om zijn as In sommige gevallen blijft de dubbelster bij zo’n tweede supernova-explosie wél intact, en ontstaat er een ‘dubbele neutronenster’, waarbij een van de twee objecten Dat het nóg gekker kan, blijkt uit onderzoek aan bolvormige sterrenhopen Over de rand
De Engelse ondezoeker John Michell speculeerde eind achttiende eeuw al over het bestaan van ‘donkere sterren’. Hoe sterker het zwaartekrachtsveld aan het oppervlak van een hemellichaam is, des te hoger is de zogeheten ontsnappingssnelheid, die nodig is om uit dat zwaartekrachtsveld los te komen. Als een ster maar zwaar genoeg is, zo redeneerde Michell, kan die ontsnappingssnelheid hoger zijn dan de lichtsnelheid, en kan de ster Begin twintigste eeuw bleek dat zulke ‘donkere sterren’ ook voorspeld worden door de algemene relativiteitstheorie Om de zon in een zwart gat te veranderen, moet je hem samenpersen tot een middellijn van minder dan zes kilometer. De aarde verandert pas in een zwart gat als alle materie opeengeperst zou worden in een bolletje zo groot als een knikker. Hoe groter de massa van een zwart gat, des te groter is de straal van de zogeheten ‘waarnemingshorizon’ (ook wel de Schwarzschildstraal genoemd, naar de Duitse natuurkundige die er als eerste aan rekende) Wat de omstandigheden ‘in’ een zwart gat zijn, is niet bekend. De huidige natuurkundetheorieën (met name de kwantumfysica en de relativiteitstheorie) verliezen onder deze extreme omstandigheden hun geldigheid. Niemand weet of zich binnen de waarnemingshorizon van een zwart gat een ‘tastbaar’ object bevindt met een bepaalde (zeer kleine) afmeting, of dat materie in een zwart gat in één dimensieloos punt wordt samengeperst met een oneindig hoge dichtheid. Er wordt zelfs wel gespeculeerd dat zwarte gaten via ‘ruimtetijdtunnels’ verbonden zouden kunnen zijn met andere punten in de kosmos, of misschien zelfs met een compleet ander heelal.
Zwarte gaten zijn de eindproducten van extreem zware sterren Dankzij precisiemetingen met gevoelige radio- en röntgentelescopen, en dankzij enorme theoretische inspanningen, zijn sterrenkunde de afgelopen decennia veel te weten gekomen over de meest bizarre bewoners van de kosmos. Maar er zijn ook nog tal van onbeantwoorde vragen. Klopt het simpele ‘vuurtorenmodel’ van pulsars wel? Bestaan er behalve neutronensterren misschien ook ‘quarksterren’, waarin de kerndeeltjes uiteen zijn gevallen in de samenstellende elementaire bouwstenen? Zijn de extreem energierijke gammaflitsen die tot in de verste uithoeken van het heelal worden waargenomen misschien de geboortekreten van zwarte gaten? Wat is de precieze relatie tussen ‘gewone’ pulsars en zogeheten magnetars Nieuwe ruimtetelescopen en nieuwe detectietechnieken zullen de komende jaren op sommige van die vragen hopelijk antwoord geven. En de kans is natuurlijk groot dat astronomen ook compleet nieuwe kosmische freaks op het spoor zullen komen. Het heelal blijft onverminderd verrassen.
Kader 1 - Dubbelpulsars en zwaartekrachtsgolven
Door in de loop van vele jaren precisiemetingen te verrichten aan de aankomsttijdstippen van de radiopulsen, zijn de baaneigenschappen van de dubbelpulsar zeer nauwkeurig bekend. Op die manier kon ook vastgesteld worden dat de oriëntatie van het baanvlak verandert, exact in overeenstemming met de voorspellingen van Einsteins relativiteitstheorie.
Nog opzienbarender was de ontdekking dat de omloopbaan steeds kleiner wordt. De gemiddelde afstand tussen de twee neutronensterren neemt met 3,5 meter per jaar af; de omlooptijd wordt elk jaar 76,5 microseconde korter. Ook die baankrimp wordt voorspeld door de relativiteitstheorie: doordat het systeem zwaartekrachtsgolven uitzendt (minieme vervormingen van de ruimtetijd die zich met de lichtsnelheid voortplanten) verliest het energie.
Hulse en Taylor ontvingen voor hun ontdekking in 1993 de Nobelprijs natuurkunde. Naar verwachting zullen de twee neutronensterren over ongeveer 300 miljoen jaar met elkaar versmelten tot een zwart gat.
Kader 2 - Hoe eng zijn zwarte gaten?
Toch is er geen enkele reden om je zorgen te maken over zwarte gaten in het heelal. Hoewel hun aantal onvoorstelbaar hoog moet zijn, is de kans volstrekt verwaarloosbaar dat er ooit een in de buurt van de zon en de aarde zal opduiken. En zelfs al mocht dat gebeuren, dan is het niet zo dat direct het hele zonnestelsel wordt opgezogen. Op ruime afstand van de waarnemingshorizon is de zwaartekrachtsinvloed van een zwart gat niet veel anders dan die van een gewone ster met vergelijkbare massa.
Zelfs als onze zon in een zwart gat zou veranderen (wat overigens volstrekt uitgesloten is), zou de aarde gewoon in zijn huidige baan blijven bewegen: voor de baanbeweging van de planeten maakt het niet veel uit of de massa van de zon nu geconcentreerd is in een gasbol van 1,4 miljoen kilometer groot of in een zwart gat met een middellijn van zes kilometer.
Sterren zoals de zon komen op een betrekkelijk rustige manier aan hun eind. Ze zwellen langzaam maar zeker op, stoten hun buitenste gaslagen de ruimte in, en wanneer de kernfusiereacties in hun inwendige tot stilstand komen, krijgt de zwaartekracht vrij spel en krimpt de overgebleven sterkern in tot een langzaam afkoelende witte dwerg. Witte dwergen bestaan uit ‘gedegeneerderde’ materie: losse positief geladen atoomkernen en negatief geladen elektronen die zeer dicht op elkaar zitten. Een witte dwerg kan even zwaar zijn als de zon, maar is toch niet veel groter dan de aarde. Eén theelepeltje wittedwergmaterie weegt maar liefst een paar ton!
Daar kwam in 1967 onverwacht verandering in. Met een nieuw type radiotelescoop in Cambridge ontdekte de Britse sterrenkundestudente Jocelyn Bell een merkwaardig object in het kleine sterrenbeeld Vosje dat elke 1,33 seconde een korte puls van radiostraling uitzendt. De ontdekking van deze extreem snelle en precieze kosmische knipperbol werd aanvankelijk enige tijd geheim gehouden, omdat Bells studiebegeleider Antony Hewish er rekening mee hield dat het hier misschien zou kunnen gaan om een kunstmatig radiosignaal van een buitenaardse beschaving. Het object kreeg de codenaam LGM-1, waarbij LGM stond voor little green men.
Neutronensterren kunnen dus waarneembaar zijn wanneer ze bundels van radiostraling de ruimte in zenden die toevallig de juiste oriëntatie hebben ten opzichte van de aarde. Maar er is nog een manier waarop een neutronenster zijn bestaan kan verraden. Wanneer hij deel uitmaakt van een dubbelstersysteem, kan er gas van de begeleidende ster overstromen naar de neutronenster. Dat gebeurt zelf automatisch wanneer de begeleidende ster een evolutiefase doormaakt waarin hij sterk opzwelt
De eerste röntgendubbelster die werd ontdekt (Cygnus X-1, in 1964) is een heel bijzondere. De ‘gewone’ ster in het dubbelstersysteem blijkt een grote, zware reuzenster te zijn, met een enorme lichtkracht. Ondanks de afstand van ca. 6000 lichtjaar is hij daardoor met behulp van een kleine amateurtelescoop al goed zichtbaar. Onderzoek aan het licht van deze ster wijst uit dat hij elke 5,6 dagen een baan beschrijft om een onzichtbaar object dat een grote hoeveelheid röntgenstraling uitzendt. Die röntgenstraling is ongetwijfeld opnieuw afkomstig van een accretieschijf rond een heel kleine, compacte begeleider, maar uit de waargenomen baanbeweging blijkt dat die begeleider bijna negen keer zo zwaar moet zijn als de zon. Het kan eigenlijk niet anders of Cygnus X-1 herbergt een zwart gat.
In 1974 ontdekten de Amerikaanse natuurkundigen Russell Hulse en Joe Taylor een dubbelpulsar op een afstand van ongeveer 21.000 lichtjaar in het sterrenbeeld Hercules. Het gaat om twee neutronensterren die elke 7,75 uur in een elliptische baan om elkaar heen bewegen. Eén van de twee is met radiotelescopen op aarde zichtbaar als een pulsar; de pulsperiode (en dus de rotatieperiode) bedraagt 59 milliseconden. De baansnelheden van de twee neutronensterren variëren tussn 110 en 450 kilometer per seconde.
Wie willens en wetens recht op een zwart gat afvliegt, kan het niet navertellen. Al voordat je de waarnemingshorizon passeert, word je uiteengerukt door de enorme getijdenkrachten: de zwaartekracht op je voeten is veel sterker dan die op je hoofd. Eenmaal in het zwarte gat beland is er geen weg meer terug.
© Govert Schilling